Er zijn mensen bij wie het talent vóór de passie uitgaat. Uit de genetische grabbelton hebben ze een gave ontvangen en wanneer blijkt dat deze hen bewondering, respect of misschien wel een belegde boterham oplevert, volgt de geestdrift als vanzelf.
Dan zijn er mensen bij wie de passie voorop komt. Bij hen zorgt een aangeboren hartstocht voor kracht en doorzettingsvermogen om uit het niets een bepaalde vaardigheid te ontwikkelen en tot wasdom te brengen.
Samuel Gomez was bij geen van beide groepen onder te brengen. Of hoorde hij juist bij alle twee
tegelijk? Hij had zowel passie als talent. Beide in overvloed zelfs. Alleen betroffen ze compleet
verschillende onderwerpen.
Zijn talent lag overduidelijk bij muziek, en wel in het bijzonder bij zang. Hij was met een gouden
strotje geboren. In de crèche al onderscheidde zijn aangename getjilp zich van het woeste gekrijs
van zijn leeftijdsgenoten. Op school kreeg hij de meest nuchtere leraren tot tranen toe geroerd met
zijn vertolkingen van bekende kinderliedjes en als puber won hij achteloos alle talentenjachten waar
hij aan meedeed. Een succesvolle carrière als zanger was zeker en gewis ware het niet dat Samuel’s
hartstocht op een compleet ander vak lag. Namelijk dat van de theoretische fysica, en wel die van de
meest fundamentele soort. Zo vroeg als zijn brein het toeliet probeerde hij de natuurwetten te
doorgronden. Als peuter bleek hij al zeer bedreven in experimenteel onderzoek en zodra hij kon lezen
en tellen verslond hij het ene na het andere natuurkundeboek. Rond deze leeftijd ontstond zijn droom
om de natuur haar grootste geheimen te ontfutselen en in de voeten te treden van Max Planck, Niels
Bohr, Werner Heisenberg en de grootste van allen, Albert Einstein himself.
Hoewel zijn begrip het inzicht van een leek een behoorlijk eind ontsteeg kon men Samuel met geen mogelijkheid een briljant of geniaal natuurkundige noemen. Een titel haalde hij nooit, een aanstelling op een universiteit lag ver buiten zijn bereik en geen van zijn artikelen kwam ooit door de collegiale toetsing heen. Voor zijn broodwinning was hij op zijn zangkunsten aangewezen. Alleen met uiterste inspanning maakte hij zich iets van de differentiaalvergelijkingen en geometrische abstracties eigen die het instrumentarium vormen van de moderne fysicus. Met die schamele vaardigheden stoomde hij in volle vaart door naar de frontlinie van de moderne fysica, daar waar de algemene relativiteitstheorie en de kwantummechanica onverenigbaar lagen te wachten om in één sublieme allesverklarende theorie geünificeerd te worden. Door hem, zo was zijn stille wens. Hij bleef een fanatieke amateur, die doorboemelde op zijn eigen wetenschappelijke zijspoortje. Zelf beweerde hij, zonder enig overleg van bewijs overigens, dat hij met de jaren steeds dichterbij kwam. De basis van de hypothese, zo wist iedereen, moest liggen in de supersnarentheorie. Hierin worden eigenschappen van quantumdeeltjes verklaard door superkleine trillende snaartjes in een elfdimensionale ruimte. Door met snaartjes te rekenen, in plaats van met punten, worden de gravitationele singulariteiten in de algemene relativiteitstheorie opgelost en wordt deze verenigbaar met de quantumtheorie. In zijn toenmalige vorm echter, was de snarentheorie hopeloos onbegrensd. Er was een alternatieve topologie nodig die het aantal oplossingen van de vergelijkingen sterk zou reduceren. Dat zou het eindstation vormen waarnaar Sam al die jaren onderweg was. Niet alleen hij trouwens, maar hordes zeer geleerde en hoogbegaafde professionele fysici met hem.
Sam’s zangcarrière, voor zover van de grond gekomen, had zwaar te lijden onder de natuurkundepassie
waar elk jaar meer tijd aan opging. Interend op de roem van de gewonnen talentenshows zong Sam een
paar keer per week in buurtcafés en kleine zaaltjes. Zijn repertoire veranderde niet, evenmin als
zijn outfit. Een versleten streepjesbroek, een rokjas en een warrig kapsel. Gewoon ongekamd, niet
hip of punky.
Het enige dat met grote regelmaat veranderde was zijn manager. De ene nog onbetrouwbaarder dan de
andere. En zo gebeurde het dat Sam op zijn 35ste levensjaar een belastingschuld had opgebouwd van
kosmische omvang en de fiscus de tijd rijp vond om via rigoreuze actie een verdere implosie van zijn
financiën te voorkomen. Er werd een genadeloos saneringsregime opgesteld dat hem verplichtte elke
avond van de week op te treden en daarnaast al zijn wakkere uren via het uitzendbureau aan de slag
te gaan. In het meest rooskleurige scenario zou hij op deze manier zijn schuld in achttien jaar,
drie maanden en twaalf dagen weg hebben gewerkt.
Gedaan was het met zijn wetenschappelijke queeste. Een oponthoud van achttien jaar was
onoverkomelijk. Hij had verloren. Verkeken waren zijn kansen.
Wreed losgerukt uit zijn fysische beslommeringen meldde Sam zich daags na het vonnis bij het
uitzendbureau, zoals de rechter hem gemaand had. Hij wendde zich tot de intercedente, een vrolijk
jong meisje. “Dag meneer “, zei deze opgewekt. “Neemt u plaats dan gaan we eens kijken hoe we u
kunnen helpen”. Sam ging zitten en keek naar haar op. Hij zag haar blonde vlechten, staarde haar aan
en voelde zijn adem stokken… In dat fameuze moment keek hij verder dan ieder ander ooit had gedaan.
De vlecht, een getordeerde dubbele snaar. Hij had de juiste vorm gevonden, de alom nagejaagde
topologie, de salomonszuil van het heelal.
Enkele maanden later was de wiskundige verificatie rond. De theorie bleek te kloppen als een bus en nog nooit waren ze er zo snel uit geweest in Zweden. Er waren wel kritikasters die vonden dat Sam de prijs niet verdiende. Dat hij slechts een amateur was door het toeval getroffen. Anderen beweerden juist dat hij als geen ander recht had op de prijs. Het universum zélf hem had hem immers uitgekozen om haar diepste geheim te onthullen. Hoe dan ook, datzelfde jaar nog, op 10 december, stond Sam als laureaat voor het comité in Stockholm om zijn prijs in ontvangst te nemen. Bij zijn Nobellezing stelde hij vorm boven inhoud. Hij bracht haar in zijn geheel als aria, met zoveel gevoel gezongen dat bij menig aanwezige de tranen rijkelijk vloeiden.