
Tien uur zit Olaf nu in de hete cabine van de bulderende Kamaz die schokkend en stotend zijn last van duizenden rinkelende wodkaflessen voorttorst over de ooit geasfalteerde en met kuilen bezaaide modderweg. Het smalle bijrijdersbankje waarop hij zit is ongeveerd en heeft geen rugleuning. Om niet alle kanten op te vliegen moet hij zich krampachtig vastklampen aan de deurgreep. Zijn botten trillen, zijn spieren doen pijn. Zijn ogen branden in de dikke mist van sigarettenrook en dieselgas en hangen pijnlijk losgetrild in zijn oogkassen. De chauffeur draait het cassettebandje met Rammstein nog eens om. “Ich tu dir weh”, bromzingt hij mee terwijl hij een nieuw pakje sigaretten uit de slof in zijn portiersvak trekt en met één hand openrukt.
Volgens Google Maps zouden de vierhondervierentwintig kilometer vanaf het treinstation in
Petrovsk-Zabaikalsky tot zijn eindbestemming bij het dorpje Gorny in vijf uur en éénendertig minuten
af te leggen zijn. Alleen niet met deze wagen. Niet op deze weg.
“Oláfchik, almost finish”, roept de chauffeur hem toe. “One hour go, then Gorny”. Olaf knikt hem
moeizaam glimlachend toe. Eén uur nog en dan is zijn reis voorbij. Ondanks het fysieke ongemak voelt
hij zich goed. Zolang hij maar onderweg is. Het is het naderende einde van zijn reis dat hij vreest.
Nee, niet het einde van de reis, maar de doelloosheid die daar wacht wanneer hij bevestigd zal
krijgen wat hij eigenlijk al weet. Dat er niets is daar. Niets dan een punt op de kaart.
Een maand geleden was zijn queeste begonnen. Eén van de ambtenaren op het ministerie in Den Haag waar hij werkt, had melding gemaakt van rare verschijnselen op zijn PC. De ambtenaar bekende, geheel tegen de richtlijnen in, een video-player gedownload te hebben vanaf een Italiaanse website om parallel aan zijn beleidswerk een livestream met verrichtingen van de Nederlandse wielrenners in de Giro d’Italia te kunnen aanschouwen. Hierop was zijn browser uit zichzelf naar totaal onacceptabele websites gaan navigeren en dit liet zich niet meer herstellen. Als verantwoordelijke helpdeskmedewerker was Olaf aan de slag gegaan om de PC weer schoon te krijgen. Allereerst liet hij er een heel scala aan anti-virusprogramma’s en adware cleaners op los. Maar geen van allen bood soelaas en dus moest hij er zelf in duiken. Tot laat in de avond zocht hij door op de PC naar verborgen executables, stiekem draaiende processen of ongemerkt openstaande backdoors. Tevergeefs. Voor de ambtenaar installeerde Olaf een nieuwe PC inclusief bonafide video-player maar zijn zoektocht op de geïnfecteerde computer zette hij voort. Pas de volgende avond vond hij een eerste aanwijzing over hoe het kwaadaardige stuk software in elkaar stak. Diep in één van de dynamische ingelinkte libraries van de browser bleek zich een afwijkende routine te bevinden. Het lukte hem deze na veel trials en errors te decompileren en zo kreeg Olaf op dag drie van zijn speurtocht een glimp van de broncode te zien, een eerste blik op het handschrift van de maker. Bij bestudering hiervan bleek als snel dat dit iets veel groters was dan een onschuldig stuk adware. De code was een wrapper object dat op zijn beurt weer een andere, dieper weggenestelde systeemfunctie aanriep. Het object had de omineuze naam ‘Raketa’. Dit vereiste een zeer grondige speurtocht. Na hevig aandringen van zijn kant en verwoede pogingen de ernst van de zaak over te brengen, had zijn manager een projectpost voor hem aangemaakt zodat hij hier tijd aan mocht besteden. Zijn plotseling opgevlamde toewijding en werklust beviel haar en ze vond dat het navolging verdiende. Van de materie of de mogelijke ernst van de dreiging had ze niks gesnapt uiteraard. Wat snappen vrouwen daarvan. Wat snappen vrouwen überhaupt van software? Ja zijn ex. Die kon behoorlijk gamen. Uren, dagen achter elkaar zat ze dan met een koptelefoon op afgesloten voor de buitenwereld, afgesloten voor hem…
Stapje voor stapje had hij Raketa, zoals hij de malafide indringer maar gedoopt had, verder ontleed.
Raketa bleek meertraps. Des te dieper hij groef, des te meer lagen hij blootlegde en des te groter
werd zijn bewondering voor de vernuftigheid van dit virus. Tot in diepste krochten, de
kernelprocessen van het operating system, drong het door. Des te groter ook vermoedde hij de
destructieve kracht van de uiteindelijke lading die het zou bevatten.
Een week later, diep in de nacht, had hij de ui tot op de laatste schil afgepeld. Het kleinste
poppetje van de matroeska was ontbloot en het was niks. Geen stiekeme backdoor om informatie van de
PC te stelen. Geen tijdsmechanisme dat op een vooraf ingesteld tijdstip de harddisk zou formatteren.
Geen keylogger die ongemerkt alle toetsaanslagen van de gebruiker vastlegde, helemaal niks. Slechts
een éénregelige niet-uitvoerbare file bleef er over, die op geen enkele denkbare manier schade aan
zou kunnen richten.
Voor de buitenwacht sloot hij het project af.
“Onschadelijk gemaakt”, was zijn antwoord toen zijn
manager op gemaakt geïnteresseerde toon naar zijn voortgang had geïnformeerd, alsof hij een kind was
met een werkstukje. “Verder geen bijzonderheden”. Het had geen zin zijn bevindingen te delen. Zelfs
als hij het vermogen had gehad het duidelijk uit te leggen en als zijn collega’s deskundig genoeg
waren geweest hem te volgen, zaten ze niet op zo’n doodlopend verhaal te wachten.
Voor Olaf echter begon het toen pas echt. De gevonden file, onschadelijk als hij verder was, bevatte
namelijk twee getallen waarin hij direct plaatscoördinaten herkend had:
51°23’50.4’—112°51’52.6’.
Ze wezen naar een plek in Oost-Siberië, niet ver van de grens met Mongolië. Als hij
Google Maps maximaal inzoomde bleek het punt precies op het einde van een paadje te liggen, op twee
kilometer afstand van het plaatsje Gorny dat tweehonderdnegen inwoners telde volgens Wikipedia. Het
paadje was een minuscuul zijweggetje van een grotere doorgaande weg. Die doorgaande weg is het
aangestampte modderpad waar Olaf nu al de hele dag overheen hobbelt sinds hij die morgen in
Petrovsk-Zabaikalsky vlak buiten het treinstation door de Kamaz werd meegenomen.
Door de vettige ramen van de vrachtwagen ziet hij niets dan taiga afgewisseld met moerassig grasland. Sporadisch duikt er een muurtje gewapend beton op langs de weg. Resten van wat ooit een bouwsel was of van wat ooit een bouwsel had moeten worden. Zijn ex had dit mooi gevonden. Zij hield van verval en desolate werelden. Althans, in World of Warcraft. In de echte wereld kwam ze vrijwel nooit buiten. Ook nu niet, nadat ze hem had verlaten en bij zijn voorheen beste vriend was ingetrokken. Daar was haar vertrek dan tenminste goed voor geweest, dat hij weer eens op reis kon.
“Oláfchik. There Gorny”, zegt de chauffeur en wijst vooruit in de richting van de weg. Olaf schrikt
op, hij moest er voor Gorny uit, daar waar het zijweggetje richting het punt afslaat. Daar ziet hij
de afslag al.
“I need to go out!”
“Yes, almost there! In Gorny we drink”, zegt de chauffeur enthousiast terwijl hij veelbetekenend
tegen zijn hals tikt en met zijn duim naar achteren wijst.
“No sir, I need to go out here!”, zegt Olaf en wijst naar de afslag.
De chauffeur zet de vrachtwagen stil en stopt de motor. Hij kijkt Olaf even verwonderd aan.
“Ah
Oláfchik, now I understand, you tourist extremal”, roept hij dan. “Ok, you go to there look but
raketi njèèèt. No rocket. Go look and then come to Gorny and we drink.”
“Geen raket daar?” schiet het door Olaf’s hoofd terwijl hij met zijn rugzak de kabine uitklimt. Wie
heeft er iets over een raket gezegd?
Het wegstervende geraas van de vrachtwagen maakt plaats voor het ziedende gezoem van wolken kleine mugjes die zijn bezwete lichaam bestormen. Hij zet zijn telefoon aan om zich ervan te verzekeren dat hij goed zit. Geen bereik hier uiteraard maar wel GPS. De locatie klopt. Hij loopt het paadje op, het bos in. Eén haakse bocht en dan is het nog tweehonderd meter tot het eindpunt van zijn reis. De Google Maps satelietview van dit terrein zit op zijn netvlies gebrand. Eénmaal de bocht door ziet hij aan het einde van het pad een laag bunkerachtig bouwwerkje met een openstaande roestige metalen deur. Voorzichtig loopt hij erheen. Een penetrante pislucht en nog meer muggen slaan hem tegemoet als hij naar binnen stapt. De muren zitten onder de graffiti en de betonnen bodem ligt bezaaid met lege wodkaflessen. Als zijn ogen aan het halfduister gewend zijn ziet hij dat hij in een gang staat die naar een halletje voert. In het halletje wijkt de betonnen vloer voor een gapende cirkelvormige put van zeker drie meter doorsnee met aan weerszijden kabels en trappetjes naar beneden, een donkere afgrond in. Hij pakt zijn zaklantaarn en schijnt het gat in. Zo’n twintig meter onder hem ziet hij een bodem van lege flessen en ander vuil. Als hij de lantaarn naar boven richt ontwaart hij een metalen schuifdak en hij begrijpt dat hij zich in een verlaten ondergrondse raketsilo bevindt. Dat was het dan.
Olaf loopt weer naar buiten, zet zijn rugzak af en zijgt neer op het betonnen
muurtje naast de ingang. Een doffe wanhoop marcheert zijn lichaam binnen. Dat was het dan…
Op dat moment voelt hij in zijn broekzak zijn telefoon volstromen met berichtjes… Bereik?
Hij haalt zijn iPhone tevoorschijn en ziet een drie-streepjes-Wifi-netwerk met de naam Raketa. Op
hetzelfde moment knarst er iets achter hem in het gangetje. Een ijzeren zijdeur die hij eerder over
het hoofd had gezien klapt open. Olaf schrikt, springt op, en staat oog in oog met een jonge, niet
al te grote vrouw met slordig gestifte lippen. Haar zwarte ogen glinsteren hem toe en ze kijkt hem
aan alsof hij de eerste mens is die in jaren voor haar staat.
“Heet jij Olaf?” vraagt ze met zachte stem in het Engels.
“Ken je mij?” stamelt hij.
“Ik ben Lara,” zegt ze. “ik denk dat ik je ken.” Ze pauzeert even. “Ik heb je overal gezocht en nu
heb ik je gevonden. Ik heb mijn raketten overal heengeschoten en jou heb ik geraakt.”
“Ik heb jou juist gevonden”, probeert Olaf met enige waardigheid te antwoorden maar hij duizelt van
verwarring.
Ze zegt niks maar ze lacht en haar hele gezicht straalt. Olaf voelt zich heel licht worden.
“Kom, ik
laat je mijn bunker zien.” Hij volgt haar de zacht verlichte zijkamer in. Ze sluit de zware deur
achter hem. Het is er aangenaam koel. Olaf kijkt om zich heen. De wanden van de kamer zijn voor
driekwart bedekt met door roest aangetaste controlepanelen vol schuifjes, draaiknoppen en
signaalmeters. Eén wand is vrij. Daar staat een bureau met daarop een opengeklapte MacbookPro en een
Samsung 27” 4K-monitor. Op het display ziet hij zijn eigen naam knipperen in grote letters: iPhone
Olaf.
“Mijn Wifi intruder detector”, zegt ze als ze zijn verbaasde blik ziet, “Zelf geschreven,
echt
handig, zo wist ik je naam. Alcoholisten uit Gorny hebben geen iPhones en heten trouwens ook nooit
Olaf.”
“Hoe heb je hier in hemelsnaam internetverbinding geregeld?” vraagt hij.
“Heb ik niet geregeld. Dat ligt hier al sinds de tachtiger jaren. Een directe aansluiting op de
backbone van het Kremlin. Sneller krijg je het niet in Rusland. Denk je dat de hoge heren in Moskou
een locale zatlap op de knop zouden laten drukken? Gelukkig niet, voor jullie. Vroeger stonden hier
heel wat minder prettige raketten dan het type dat ik nu lanceer. SS-24’s, intercontinental
ballistic missile, drietraps met een bereik van 10.000km en een lading van acht kernkoppen ”.
Olaf wil nog veel meer vragen maar Lara is hem voor. Ze legt haar opgeheven wijsvinger zachtjes
tegen zijn lippen.
“Ssst Olavik” zegt ze, “ik snap dat je veel vragen hebt en ik ga je alles
vertellen. Ik heb ook veel vragen voor jou maar het belangrijkste weet ik al: je bent een
computerman, een expert in software en operating systems, je bent intelligent, je hebt een
onderzoekende geest, je bent een doorzetter, niet bang, romantisch in de goede zin van het woord,
een reiziger en … “, ze aarzelt even, “je bent single”. “Heb ik gelijk?”
Olaf knikt, “Dat laatste klopt.”
“Wat voor vrouw zou jou nu zomaar naar dit oord laten vertrekken?”, zegt ze verontwaardigd. “We
praten later, maar eerst is er iets waar ik heel veel zin in heb…”
Ze rolt een tweede bureaustoel naar de tafel. “Pak je laptop, die heb je meegenomen toch?”, vraagt
ze. Olaf knikt weer en grijpt naar zijn rugtas.
“Laten we World of Warcraft spelen, gezellig met zijn tweetjes.”