Skip to content
Terug

De Linde

Linde

Het grootste gedeelte van mijn leven gunde ik bomen geen blik waardig. Tegemoetkomend zijn ze niet en wij mensen zijn weinig geneigd hen onze aandacht te schenken. In de bebouwde omgevingen waarin wij ons veelal ophouden zijn het eerder de rechte lijnen van straten en gebouwen die onze attentie opeisen. De openbare ruimte is bezaaid met bakens die, anders dan bomen, speciaal ontworpen zijn om onze aandacht af te leiden. Intelligent design door architecten, reclamebureaus en grafisch ontwerpers, wint het hier van de evolutie. Als er ook nog bewegende voorwerpen in het spel zijn waarvan we het ons niet kunnen veroorloven ze te negeren, zoals auto’s, trams en fietsen, of soortgenoten die voor onze voeten lopen, dan is het niet vreemd dat bomen er bekaaid van afkomen, waar het onze belangstelling betreft.

Evolutionair beschouwd zou het vreemd zijn als bomen ons overmatig zouden prikkelen. We hebben weinig van hen te vrezen en het heeft er alle schijn van dat ons brein bomen, op basis van hun vorm en textuur, snel en doelmatig classificeert en als ongevaarlijk wegzet zonder ze aan ons actieve bewustzijn te presenteren. Van hun kant ondernemen bomen ook geen moeite ons naar zich toe te lokken, in tegenstelling tot allerlei insecten, waar ze in veel gevallen voor de bestuiving op aangewezen zijn en die met geuren en bloesempracht aangetrokken worden. Of vogels, die in ruil voor smakelijk besjes zorgdragen voor de verspreiding van de zaden. Er zijn tekenen dat insecten en vogels zich ook af laten leiden door de felle kleuren, geuren en alle andere zaken waarmee de mens de boom naar de achtergrond dringt. Een saillant feit in deze context is dat die vogelsoorten die in de buurt van de mens leven en niet uitsterven, steeds intelligenter lijken te worden. Blijkbaar vereist het een bepaalde mate van vernuft om het in de nabijheid van homo sapiens uit te houden.

Dat we ons zo weinig bewust zijn van bomen betekent niet dat ze ons onverschillig laten. Onderzoek toont aan dat de aanwezigheid van bomen in je leefomgeving invloed heeft, en wel een positieve. Bomen verminderen stress. Zo leven mensen langer wanneer ze in een boomrijke omgevingen wonen en herstellen ziekenhuispatiënten sneller wanneer ze vanuit hun kamer uitzicht hebben op een boom. Ik vermoed sterk dat het de natuurlijke vorm is van de stammen, de takken en de bladeren die ons brein en daarmee ons lichaam goed doet. Des te meer ons blikveld zich met bomen vult, des te lager de stress. Waarom zou dit zo zijn?
Ik beeld me in dat de steeds maar doorgaande vertakkingen, de netwerkachtige structuur, op een bepaald niveau resoneert met de visuele systemen in ons brein, waarvan de miljoenen zenuwcellen volgens soortgelijke structuren bedraad zijn. Ziet het brein zijn eigen ordening in bomen weerspiegeld en brengt dit de gevoelens van vertrouwdheid en diepe verbondenheid teweeg?
Of voert dit gevoel terug tot de tijd toen we als soort voor onze veiligheid bomen in klommen? Het is goed voor te stellen dat een oermensachtige wiens brein positief op bomen reageerde en deze daarom zo vaak mogelijk opzocht een grotere overlevingskans had dan diegene die er niets van moesten hebben. Deze atavistische bomenliefde moet dan stammen uit het tijdperk van vóór ons grote brein waarin we door ratio gedreven de bomen in konden vluchten of anderszins met vuur, huizen en wapens onze veiligheid konden regelen.

Terug naar de bomen zelf. Voor wie er wel oog voor heeft is er veel te ontdekken in deze enorme standvastige wezens die in onze straten en parken staan te ruisen. In onze regionen is de lindeboom de meest voorkomende boom. De Hollandse Linde (Tilia Vulgaris) met zijn grote hartvormige bladeren wordt al eeuwenlang in ons land aangeplant als cultuurboom (als bosboom komt hij bijna niet meer voor). Je vindt hem overal, in groepjes aangeplant bij boerderijen als bescherming tegen de zon, in rijen langs wegen en lanen, en los aangeplant bij kappelletjes, kerken en op dorpspleinen waar hij vaak als ontmoetingsplek dienst deed. In de meeste steden, ook in Rotterdam, is de linde sinds enkele decennia in populariteit gedaald bij de ontwikkelbureaus die tegenwoordig het aanplantbeleid opstellen. Doordat het een inheemse boom is, heeft zij tientallen soortspecifieke insecten die op en om haar heen leven waaronder bijvoorbeeld de lindebladluis waarvan de honingdauw zomaar op geparkeerde auto’s druppelt.
Verder groeit de linde behoorlijk hard. Niet zo onstuimig als de wilg of de els, maar toch. In vroeger tijden, toen de jonge twijgen en takken nog allerlei toepassingen kenden, vormde dit een economisch voordeel. Tegenwoordig kost veelvuldig snoeien alleen nog maar geld. De linde past nog wel in parken, maar niet meer langs straten of parkeerplaatsen. Daar gaat de voorkeur tegenwoordig uit naar uitheemse soorten zoals de plataan, de amberboom of de hemelboom. Deze groeien minder hard in ons klimaat en vereisen daarmee minder onderhoud. Verder zijn ze dusdanig kort geleden in onze contreien geïntroduceerd dat er nog maar weinig insectensoorten zijn die zich deze bomen thuis hebben gemaakt. Bedaarde bomen dus, die beter bij de aangeharkte en opgepoetste toestand van ons landje passen dan die tomeloze lindes met hun ongebreidelde schare aan veelpotige bewoners en regen van pluisjes en vettigheden.

Voor mij vormt de linde de archetypische boom. Dit besefte ik toen zich bij het zien van een linde, of specifieker, bij het zien van een tak van een linde tegen een achtergrond van een blauwe hemel, een associatie aandiende met vroeger, mijn kindertijd en het dorp waarin ik ben opgegroeid. Een vluchtige herinnering slechts, op het randje van mijn bewustzijn. De tak had een specifieke vorm, een puntige kromming als van een gothische gordelboog die mij terugbracht naar het laantje waarlangs ik vroeger naar school liep met aan beide kanten een indrukwekkende rij grote bomen. Mijn herinnering vulde zich met de groevige stammen, de bloesem in het voorjaar en de grote hartvormige bladeren die in de zomer plakkerig worden en in de herfst op de grond tot spinwebachtige netwerkjes vergaan. Nu kan ik die bomen als Hollandse Lindes classificeren. Toen waren er geen andere bomen: de linde was dé boom.

Als ik ‘s morgens mijn dochters naar school breng, lopen we bij goed weer soms een klein stukje om, door het Heemraadspark waar het centrale pad aan beide zijden geflankeerd wordt door een rij lindes die met hun kruinen een natuurlijke tunnel vormen. Met mijn kinderen aan de hand probeer ik me voor te stellen hoe de wereld zich aan hen voordoet. Primair en minder beschouwend, ontdek ik wanneer ik hen wijs op de prachten in het park, met name de bomen. In hun ochtendhumeur manen ze mij tot stilte en maken me voor ‘oude opa’ uit. Ik lach en geef ze zwijgend gelijk. In een wereld waar nog zoveel belangrijks te ontdekken is zijn bomen het laatste dat hen boeit.
Hoe zouden zij er over dertig jaar tegenaan kijken? Brengen zij op hun beurt hun kinderen naar school, denken ze dan soms terug aan dit moment? Zijn er dan nog lindes of zijn deze vervangen door genetisch gemuteerde varianten waar alle onwelkome eigenschappen uitgekweekt zijn? Ik weet het niet, maar als ik naar boven kijk en achter een zwerm ritselende groene hartjes de blauwe hemel zie, word ik bevangen door een sterk gevoel van thuiskomen. Mijn kinderen, ik, de lindes. Even treden onze geesten buiten hun natuurlijke begrenzingen van wezen en tijd en raken elkaar schielijk aan.


Deel deze post op:

Vorige Post
Metta voor de groep
Volgende Post
Hindernissen bij doneren