Skip to content
Terug

De Trampoline

Trampoline

Zo op het eerste oog herinnerde niks in de volkstuin meer aan de kinderen die er ooit hadden gespeeld. De brede schommel van dikke balken die pontificaal het gazon had bezet was jaren geleden op marktplaats verkocht net als het plastic speelhuisje dat daar ooit had gestaan. Het opblaasbare kinderbadje van weleer was langzaam groen geworden van de algen en weggegooid. De houten zandbak had het het langst uitgehouden. Hij had nog een tijd als plantenbak gediend maar was nu ook vergaan, de laatste vermolmde resten houtresten verwerkt tot compost. Het enige speeltuig dat er nog was en de tand des tijds wonderwel had doorstaan, was de trampoline. Deze stond verborgen tussen het struikgewas in de hoek van de tuin in de schaduw van twee dennenbomen, nauwelijks zichtbaar van buitenaf en alleen bereikbaar via een smal paadje dat bedekt met houtsnippers door het groen van de bramenplanten, de rozenstruik en de brandnetels voerde.

Het was een grote trampoline met een hoog veiligheidsnet eromheen. De oude man kon zich nog goed herinneren hoe hij en zijn vrouw hem daar geïnstalleerd hadden. Ze wisten niet hoe diep de trampoline in zou veren dus hadden ze eerst een kuil gegraven. Daarna hadden ze het gietijzeren onderstel in elkaar geschroefd waar de grote ring bovenop gemonteerd kon worden. Brandend van ongeduld hadden hun kinderen staan toekijken hoe hij met een reeks stugge veren en een speciaal meegeleverd haakje de zwarte springmat veer voor veer in de ring had bevestigd. Toen dat klaar was moest het veiligheidsnet er nog op. Zes palen van twee meter hoog waar een stevig zwart net omheen gespannen werd dat op één plek bij het trappetje met een rits open kon. Daarna kon er gesprongen worden.

De trampo werd met stip het populairste speeltuig in de volkstuin. Urenlang werd er gesprongen, dag in dag uit, niet alleen door zijn kinderen maar ook door hun vriendjes en vriendinnetjes en de kinderen uit de omringende tuinen op het complex. Soms had hij meegesprongen, op verzoek van zijn kinderen. De grootste pret kwam wanneer hij in het midden sprong en een kind daar net naast in een iets ander ritme, zodat het gelanceerd kon worden zoals een satelliet die een zwiep krijgt van een planeet waarlangs hij scheert. Op een gegeven moment hadden ze een ander spelletje bedacht. Zijn kinderen gingen op hun rug liggen, een beetje aan de rand, en de man moest middenin springen. Elke keer als hij neerkwam, stuiterden zij in horizontale positie van de springmat omhoog. Daarna was het zijn beurt. De man ging liggen en zijn kinderen sprongen waarop hij omhoog kwam en tot grote hilariteit een gek geluid maakte door de lucht die tijdens het omhoog komen onwillekeurig uit zijn longen ontsnapte. Na een tijdje werden ze ook dit spelletje zat en lieten ze hem achter, op weg naar iets nieuws.

Het werd stil en recht omhoog kijkend was hij zich voor de eerste keer gewaar geworden van het bijzondere gezichtspunt op de wereld dat deze plek hem bood. Het veiligheidsnet met daarachter de struiken waarvan de bladeren hier en daar door de mazen staken, torende als een groene koker twee meter boven hem uit. Alsof hij op een strak gespannen film lag in het brandpunt van een grote lens met boven hem een wijd geopend diafragma waarachter de blauwe hemel prijkte met hier en daar een vogel en een wolk. Het nieuwe gezichtspunt beviel hem goed. Hij zocht dat het vaker op. Op voorjaarsochtenden nadat hij het gras gemaaid had of ‘s zomers, overdag, om in de schaduw af te koelen op het koele polyester van de springmat. Het was niet alleen de inperking van de werkelijkheid die hem rust gaf, de trampoline schiep ook een afstand tot de wereld, ze isoleerde hem ervan. De onbereikbare hemel, de glad verende springmat die hem comfortabel zwevend weghield van de ruwe bodem onder hem en het veiligheidsnet dat het omringende groen op afstand hield, versterkten zijn gewaarwording als toeschouwer in een van de werkelijkheid afgescheiden lokaliteit.

Naarmate de kinderen opgroeiden en minder tijd op de tuin en de trampoline doorbrachten namen zijn momentjes daar toe. Steeds vaker lag hij er te kijken. Er was zoveel te zien. De rafelige rand van het gat boven hem, een groene krans gevormd door een esdoorn, perenboom, vlinderstruik, bamboe en rozenstruik met daarachter de hemel in allerlei tinten blauw, wisselend of geheel bedekt met wolken in allerlei vormen. En vliegtuigen. Hoog in de lucht de grote met hun uitwaaierende condenssporen, daaronder de helicopters van de politie en hulpdiensten die heen en weer richting het centrum vlogen of zomaar boven de stad patrouilleerden.
En dan waren er de vogels. Naast de meeuwen die zich urenlang door de wind mee konden laten voeren, soms zo hoog dat ze nauwelijks nog zichtbaar waren, waren er kraaien, reigers en grote zwermen spreeuwen en halsbandparkieten die bij gelegenheid overvlogen. Het volkstuincomplex was pal naast een dierentuin gelegen waar ‘s zomers vogelshows gegeven werden. Daarvandaan werden regelmatig roofvogels de lucht in gestuurd. Ook dat zag de man. Het indrukwekkendst was de Andescondor die hoog boven het volkstuincomplex zijn rondjes maakte. Bij tijd en wijlen scheerde hij naar beneden als een schaduw die dicht over de trampo ruisde en de man kortstondig zijn notie van ongeziene waarnemer ontnam.
En dan waren er de tientallen geluiden waar hij ademloos naar kon liggen luisteren. Om hen heen het gezoem van de bijen en hommels. Daar achter het geluid uit de buurtuinen, kinderen in de weer met luidruchtige skelters en rammelende fietsen, schreeuwend van plezier dan weer huilend van pijn, verdriet of verveling. Het geluid van grasmaaiers, heggescharen en knippende snoeimessen. Daarbovenuit nog weer de vogels, het voortdurende gezang van de merels, het gekras van de kraaien en eksters en van verderaf komend het wegstervende gekrijs van meeuwen die elkaar de vondst van een hapje lieten weten. Vanuit de nabije dierentuin kwam soms het desolate gebrul door van een oude leeuw, het getrompetter van een boze olifant en rond een uur of vijf brak het loeiende gebulk los van de zeeleeuwenkolonie die op dat tijdstip gevoerd werd. Op de achtergrond was er altijd het geruis van de loofbomen in het naburige park en van daarachter, het geraas van de snelweg dat zich vermengde met het nooit verstommende stadsgeruis.

Maar soms weken de geluiden en op een warme nazomeravond, hij had de hele dag op de tuin gewerkt, was het buitengewoon rustig. Zijn vrouw was naar huis. Hij ging liggen. De struiken om de trampoline waren dit jaar weer hoger gegroeid maar het gat bovenin was open dankzij zijn snoeischaar. Hij liet zijn panopticum niet overwoekeren.
De springmat voelde aangenaam koel aan. De hemel was diepblauw en vulde zich langzaam met grote witte cumuluswolken. De man dacht aan de miljoenen druppeltjes waaruit ze bestonden. Zijn aandacht ging naar het vormenspel van de wolken tegen de achterliggende lucht. Steeds sneller vervormden ze zich, bollingen verschenen en anderen verdwenen. Als een bewegende rorschachtest werkte het op hem in. Hij observeerde de associaties die zich aan hem opdienden. Plotseling zag hij niet langer de wolken bewegen maar vervormde het tussenliggende blauw. Het moment van alternatieve perceptie duurde kort maar verschafte de man een nieuw inzicht. Een zaadje was geplant. Net zomin als het blauw tussen de wolken een samenhangend object is, is ook de wolk geen wolk. Hij besefte dat het louter zijn brein was die er een wolk van maakte. Het voorzag de miljoenen druppeltjes van een essentie die er niet was. Hetzelfde gold voor de individuele druppeltjes, per stuk samenscholingen van quadriljoenen watermoleculen, maar zonder hem als waarnemer bestonden ze feitelijk niet.
Zijn hele leven was de man bezig geweest met de essentie van de dingen. Alles had hij willen benoemen, begrijpen. Overal had hij naar samenhang gezocht, hogere ordes. Het was een dwaalspoor geweest. Nu, heel even, was het gordijn opzij gegaan en had hij een glimp opgevangen van een alternatieve werkelijkheid.

Vanaf dat moment was de man vaker op de trampoline te vinden, op zoek naar dat ene gevoel, die unieke kaleidoscopische blik die hem even gegund was. Het duurde een tijd voor hij het terugvond. De kunst was niet, zo ontdekte hij, om het actief te zoeken. Het specifieke inzicht overkwam je alleen wanneer je al je denken losliet, wanneer je je nergens aan vastklampte, door niets te zoeken en ook dat niet. Toen de man dat door had begon hij vorderingen te maken. Steeds langer kon hij het vasthouden en langzaam leerde hij het te richten. Van de hemel en de wolken naar de vliegtuigen en de vogels, de insecten. Hun wezenlijkheid verdampte onder zijn geconcentreerde blik. Hij richtte het op de kakofonie van geluiden om hem heen. Stukje bij beetje lukte het hem de geluiden los te zien van hun voortbrengers. Bij het loeiende gebulk kwamen er geen zeeleeuwen meer in hem op, het geruis van de snelweg hoorde hij aan zonder auto’s voor hem te zien en hij kon urenlang naar het vogelgezang luisteren, alle timbres waarnemen, het in al zijn grondtonen ontleden zonder dat een spoortje vogel zijn brein binnenkwam. De dingen om hen heen verloren langzaam maar zeker hun essentie. Ze kwamen vrij uit de gevangenis van zijn weten en ontrafelden stuk voor stuk, werden leeg en vormeloos. Uiteindelijk was hij zover dat hij zijn allesverzengende geestesoog, zoals hij het was gaan noemen, op zichzelf kon richten. Eerst richtte hij het op zijn fysieke gevoel. Met een hand vol brandnetels ging hij liggen en concentreerde zich. Het was er, een prikkeling, hij kon het pijn noemen, maar het was niet langer hijzelf die eronder leed. En zo ging de man verder zijn gevoelens langs, zijn gedachten, de diepste afgronden van zijn bewustzijn door. Met het vorderen der jaren en het aantal uren dat hij op de trampoline doorbracht, staalde hij zijn verzengende geestesoog.

Zijn vrouw overleed. Toen de begrafenis en alle plichtplegingen voorbij waren en men hem eindelijk met rust liet, spoedde hij naar de tuin en de trampoline. Het verdriet was er, log en zwaar, hij voelde het fysiek, het zetelde in zijn lichaam en beklemde zijn hoofd. Hij ging liggen, concentreerde zich lang en doorscheen het aan alle kanten. Stukje bij beetje verloor het zijn kracht en verpletterde het onder zijn blik.

De oude man bracht nu al zijn dagen door op zijn volkstuin, liggend op de trampoline. Zijn tuin verwilderde maar zijn waarneming werd steeds zuiverder. Alles loste op onder zijn verzengend geestesoog. Op een dag, hij is vroeg opgestaan om zijn vertrouwde plek weer in te nemen en juist bezig een opkomend gevoel van verveling te verzengen, duikt de Andescondor weer op. Hoog aan de hemel draait hij zijn rondjes. Dat ze hij een duikvlucht in, recht op de man af. Vlak boven de trampoline aangekomen spreidt hij zijn vleugels en landt op een brede tak van de esdoorn die schudt en kraakt onder het gewicht. Met interesse neemt de oude man een schichtige gevoel van angst waar dat heel even door zijn lichaam schiet. Met een klein sprongetje landt de reusachtige vogel naast hem. De man voelt de wind van de dichtklappende vleugels over zijn gezicht en hoort hoe de klauwen zich vastklampen aan de verroeste veren en de polyester mat.
Hij richt zijn blik op de kop van de condor, niet meer dan een meter van hem verwijderd. Een rood kraaloog met in het midden een zwarte pupil. Het kijkt hem even aan. De vogel buigt zich over hem heem. Een geluid van een knippend snoeimes combineert zich met een prikkelende sensatie in zijn buikstreek. De kop van de vogel kleurt rood. De oude man richt zijn geestesoog naar binnen, naar zijn laatste restje zelf. Een moment later lijkt alles vertraagd en is hij gelanceerd. De groene omheining van de trampoline wordt zichtbaar van bovenaf. In het midden ziet hij de springmat, een groot zwart oog met een donkerrode pupil. Daarop zijn gehavende lichaam. Langzaam verwijdert het zich. Links en rechts krijsen er meeuwen.


Deel deze post op:

Vorige Post
Hindernissen bij doneren
Volgende Post
Midlife