Skip to content
Terug

Onderweg

Onderweg

Buiten is het nog donker. Ik stap op de fiets en ga op weg naar mijn werk, eerst het tunneltje door langs de oude Blijdorpingang. Het tunneltje uit zie ik rechts de muurschildering van Jules Deelder met het gedicht Rotterdam is niet te filmen, Rotterdam is veel te ech. Dan fiets ik voorbij het standbeeld van Fanny Blankers-Koen, die haar teen over de finishlijn tipt.
Verderop is het fietspad kapot. Een boomwortel heeft over de volle breedte van het pad het asfalt gescheurd. Er is geen ontwijken aan. Ik zet me schrap, bonk eroverheen en voel de bekende ergernis. Naast me rijdt een Flixbus. Bestemming Zagreb, lees ik. Kroatië, denk ik.

De Flixbus, niet lang geleden reisde ik er zelf nog mee. Ik had me verheugd op een vlotte snelwegrit van Rotterdam naar Düsseldorf maar door de stops die de bus maakte bij stations in het centrum van tussenliggende steden ging een groot deel van de reistijd op aan filerijden binnen de bebouwde kom en wachten voor stoplichten.
Bij het stapvoets doorkruisen van Eindhoven, Roermond en Mönchen-Gladbach, staarde ik uit het raam en mijmerde over de gebouwen, monumenten en straten. Ze waren voor mij betekenisloos en leeg. Niet echt leeg, maar leeg in de boeddhistische zin.

In Why Buddhism is True – het boek was ooit mijn gateway drug tot het Boeddhisme – doet Robert Wright een goede poging om deze leegte uit te leggen. De essentie, de betekenis van de dingen om ons heen, is geen inherente eigenschap van de realiteit, maar wordt door onze breinen gefabriceerd. De ervaren mediteerders die hij voor zijn boek interviewt, doorgronden dit proces uiteindelijk. Met grote opmerkzaamheid zien ze de wereld in zijn pure vorm, als kale waarnemingen, los van de gevoelstonen, emoties, gedachten, verhalen en betekenis die ze oproept, wat dus klaarblijkelijk als leeg ervaren wordt.
Rationeel kon ik Wright’s uitleg volgen. Maar hoe zou dat nu echt voelen? Als onbekende in een nieuwe stad, ervaar je wellicht iets wat erbij in de buurt komt, bedacht ik me in die bus. De objecten vallen als stipjes mijn oog binnen, ze betekenen niets voor mij. Aan de andere kant, mijn brein herkent ze wel gelijk als gebouw, monument, straat. Is zo’n categorisatie ook al niet een soort verhaal, een essentie?
Vanuit de bus zag ik ook de plaatselijke bevolking: voetgangers, scooteraars, fietsers. Wat Rotterdam voor mij is, is deze stad voor hen, het tegenovergestelde van leeg (tenzij er toevallig een ervaren mediteerder bij zit) en inherent onderdeel van hun binnenwereld. Alle details ervan zijn verbonden met ontelbare verhalen en emoties waar ik niks van weet.

Ik fiets door. Wat ga ik doen vandaag? Hoe gaat deze dag verlopen? In welk gemoed fiets ik hier vanavond weer terug, aan de andere kant van deze weg?
Ik kom aan bij het stoplicht waar de Flixbus nog staat te wachten. Voor de bus langs steek ik over. Ik ruik de olifanten achter de Blijdorpmuur en even later rijdt de bus me voor de tweede keer voorbij, onderweg naar de snelweg. Ik zie de contouren van wat passagiers.
Wat als één van hen mij nu eens ziet fietsen? Wat ziet deze passagier? Een gewone man in een groene jas, grijze sjaal, dito haar en een vaalpaarse rugtas op de fiets onderweg naar zijn werk? Neemt haar brein de moeite om die details te registreren? Vraagt ze zich af waarheen ik onderweg ben? Ze weet niks van mij. Ik ben een vlekje, een kortstondige decoratie, één van de duizenden mensjes die ze op haar busreis zal zien.
Dan is er plotsklaps een doorvoeld besef. De zwaarte van mijn binnenwereld met al zijn waarnemingen, projecties, gedachten, plannen, verwachtingen en emoties valt even weg. Haar beeld van mij is net zo waar als het mijne van mijzelf. Ik ben dat voorbijtrekkende fietsertje dat zij ziet, vluchtig en onbeduidend.

De glimp die ik krijg op dat fietspad brengt me terug naar de ochtend van dag vier van de tiendaagse stilteretraite waaraan ik afgelopen zomer deelnam. De ochtendmeditatie achter de rug, zat ik zwijgend aan de havermoutpap. Naast me zat een dame. Zij kuchte of ik kuchte, dat weet ik dus niet meer, maar ik ervoer een plotselinge verandering van perspectief. Ineens was er geen wezenlijk verschil meer tussen haar kuch en de mijne.
Enerzijds beredeneerd is het verschil ook klein: het kriebeltje zit in mijn keel. De hoest vindt bij mij plaats en dat feit bereikt via mijn oren en gevoelszintuigen mijn bewustzijn. Of het kriebeltje zit een metertje verderop, in haar keel. Zij hoest en het geluid daarvan bereikt via mijn oren en brein mijn bewustzijn.
Anderzijds is het verschil enorm: de kuch vindt plaats in mijn binnenste of in haar binnenste, binnen de begrenzing van mijn huid of die van haar. Het is mijn kuch of haar kuch. Hoe kan dat geen relevantie hebben?
Blijkbaar bestaat er een bewustzijnstoestand waarin de grenzen tussen het zelf en de ander opgeheven zijn. Waarin het niet meer uitmaakt aan welke kant van de huid iets gebeurt. De voortdurende classificatie als mijn of dijn is voor even stopgezet.

Inmiddels kan ik voorvallen als deze duiden als een ervaring van niet-zelf, één van de zogenaamde karakteristieken van het bestaan in het Boeddhisme. Je kunt het principe zien als de leegte van het zelf, het ontbreken van een vaste kern. De Boeddha doorzag dit: “Gedachten zijn niet-zelf. Als gedachten het zelf waren, dan zouden we ze kunnen sturen en zouden ze niet tot lijden leiden. Daarom zijn gedachten niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf”.
Het niet-zelf is bepaald niet intuïtief. Waarnemingen, gedachten, pijn en allerlei emoties zijn veelal sterk verbonden met een gevoel van zelf. Ze presenteren zich aan jou, ze zijn van jou. “I amness”, zoals meditatieleraar Joseph Goldstein het noemt.
Langdurig en nauwkeurig observerend echter, zoals de Boeddha deed, kun je uiteindelijk zien dat gedachten en emoties opborrelen uit het niets en daar ook weer verdwijnen. Ze zijn niet langer van jou. “Ik denk”, wordt dan “er zijn gedachten”. “Ik heb pijn”, wordt “er is pijn.” Een herkadering die, actief toegepast, op zichzelf al bevorderend werkt voor het dieper zien en ervaren van niet-zelf.
Evolutionair psychologen als Robert Wright verklaren waarom het niet-zelf voor ons zo verborgen is. Het is ondoorgrondelijk by design. By design van moeder natuur. Hoe zouden we als soort ooit tot op heden overleefd kunnen hebben zonder de sterke illusie van het zelf? Een glashelder onderscheid tussen jezelf en de buitenwereld is erg bevorderlijk voor de overleving. (Anderzijds, hoe zouden wij er als mensheid aan toe zijn als het zelf, het ego, een tikje kleiner was gebleven, vraag ik me soms ook af.)

De niet-zelf ervaring op de retraite werd direct gevolgd door een vleugje existentiële angst. Als dit een flits was van een hogere werkelijkheid, waarin het onderscheid tussen mijn, dijn, haar, ons, niet meer is dan een illusie, een hallucinatie ingeplant door natuurlijk selectie, wat was er dan nog echt van mij?
De glimp vanuit de Flixbus daarentegen voelde bepaald goed. Het perspectief vanuit de voorbijgaande passagier op mijzelf maakte mij voor even tot een NPC, een Non-Playing Character in een role playing game, een computergesimuleerd figuur dat niet bestuurd wordt door een menselijke speler, maar meedoet als vulling in een gamewereld. Tieners en internettrollen gebruiken de term vrij achteloos als scheldwoord en beledigende aanduiding. In mijn rol als opvoeder maak ik altijd werk om de walgelijkheid van dit scheldwoord uit te leggen. Als zelfbenoemd NPC, als lege zelf, als setje pixels dat alleen bestaat in het oog van een ander, voelde ik tot mijn verbazing een prettige kant: bevrijding en rust.

In mijn vroege jeugd hield ik vooral van de God modus. Er waren toen nog geen homecomputers, laat staan online role playing games maar ’s avonds in bed stelde ik mij het oppervlak van mijn deken voor als een landschap en mijzelf daaronder als een almachtige tectonische reus die het lot van die wereld bepaalde. Eén schok van mijn knie deed complete steden in een aardbeving vergaan.
Dat was mijn fantasiewereld maar ook in het echte leven wilde ik graag bepalen. Ik had – voor zover ik me kan herinneren – een hoge pet van mijn eigen kunnen en de vaste overtuiging grootse zaken te gaan verrichten of op zijn minst beroemd te gaan worden. Zo herinner ik me de scherpe pijn bij het zien van Danny de Munck. Ik had Ciske de Rat gelezen, een dikke pil in de oorspronkelijke uitgave, en hoewel ik verder helemaal niks had met zingen of toneel, leek het me niet meer dan logisch dat ik die hoofdrol zou spelen. En toen ik op de zondagsschool en in de kerk hoorde van ene Jezus en zijn terugkeer op aarde, ontstond al snel de stiekeme gedachte dat ik Hem weleens zou kunnen zijn. Wat ouder begreep ik dat ik niet uniek was in mijn messiaswaan maar toch. Eentje moest de ware zijn, zo redeneerde ik. Ook in Jezus’ tijd waren er valse profeten, maar was er uiteindelijk eentje de echte, en waarom zou ik dat niet kunnen zijn?

Met de wijsheid van nu kan ik deze gedachten categoriseren onder magisch denken en verklaren vanuit het egocentrisme en de beperkte theory of mind die kinderen eigen zijn. Later, in mijn studententijd, reeds ruimschoots van het geloof gevallen, biechtte ik de kinderlijke waan op aan een barvriend. Hij herkende het prompt. Toen hij er half schertsend aan toevoegde zichzelf nog steeds een Jezus te vinden, moest ook ik toegeven dat de opvatting mij nooit compleet verlaten had. Zonder duidelijke aanwijzingen, mijn hoge schoolcijfers van ooit hadden inmiddels plaatsgemaakt voor ondergemiddelde studieresultaten, hield ik ergens een kernovertuiging dat er voor mij in deze wereld een grote rol weggelegd was.

Deze rol bleef echter uit. Ik ondervond dat een motivatie die ontsprongen is aan een uitvergroot zelf, in de echte wereld het verschil niet maakt. De messiaanse neigingen van weleer kropen verder in hun schulp. Wat nog restte was de God van Willem Kloos. Alleen in ’t diepst van mijn gedachten, in ’t binnenst van mijn ziel, zat ik op de troon, enerzijds souverein, anderzijds smachtend.
Op de diverse IT projecten waar ik in mijn dertiger jaren als ondernemer aan begon, blonk ik vooral uit in het nachtelijk dromen over een grootse eindfase. In de ochtenden ontbrak het me aan daadkracht en doorzettingsvermogen voor de noodzakelijke stappen. Terugblikkend op die tijd, besef ik dat het me vooral ontbrak aan realiteitszin. Ik liep niet zo zeer op de werkelijkheid vooruit, maar liep in een andere werkelijkheid, eentje waarin ik alles zelf moest kunnen en ook moest doen.

Gedurende die jaren las en herlas ik de autobiografische romancyclus Mijn Strijd van Karl Ove Knausgård. Knausgård neemt zes vuistdikke romans de tijd om zijn dagelijkse leven en zijn worsteling daarmee minutieus te beschrijven. Er stijgt een beeld uit op van een man die vastzit, iemand die voortdurend zijn geluk elders zoekt, vooral in het grootse, wegvlucht in denken en dromen, in kunst en literatuur, maar soms ook in drank, onverschilligheid en nihilisme.

De romans raakten mij destijds enorm. In eerste instantie was het de herkenning die me troost bood. Een jonge vader die vastzit tussen de liefde voor zijn gezin en een leven dat hij niet wil leiden, gefrustreerd over zijn werk dat niet van de grond komt. Ook de uitgebreide herleving van zijn jeugd in een suburbane jaren zeventig wijk en zijn adolescentie, waarin hij zich onder invloed van een grillige vader terugtrekt in zijn binnenwereld, een beweging die hij in deel zes benoemt als omwikkeling in plaats van ontwikkeling, resoneerde bij mij.
Maar de romans gaan verder. Al schrijvend beziet Knausgård zichzelf, in al zijn verschillende rollen en hoedanigheden, vooral die van een mens die opgaat in zijn dagelijkse bezigheden zoals boodschappen doen, huishouden en kinderen verzorgen. Gaandeweg opent hij zichzelf als schrijver en mij als lezer de ogen voor de schoonheid van dat alledaagse, het kleine leven en de betekenis die dat heeft.

Ik fiets verder langs Blijdorp, voorbij het Oceanium richting Kleinpolderplein. Daar steek ik het Noorderkanaal over, langs de plek waar ik ’s winters iedere zondag zwem met een paar vrienden, vijf jaar lang nu al. De eerste keren was de koudeschok extreem. Lichaam en geest schoten in het hier en nu. Als nooit tevoren, voelde ik dat ik leefde. Terug in mijn kleren stond ik een paar minuten later te beven en schudden als een Parkinson patiënt, maar in de dagen erna voelde ik me een held. Ik vertelde iedereen tot vervelens toe over mijn nieuwe hobby.
Net als meditatie is ook koudwaterzwemmen onderhevig aan de wet van de afnemende meerwaarde. Wetenschappelijk bewijs voor positieve gezondheidseffecten ervan blijft uit, wat ook het placebo-effect geen goed doet. Inmiddels is het vooral de angst voor een terugval naar een oudere versie van mezelf, die me elke zondag het koude water in drijft. Dat, en een loyaliteit naar mijn medekanaalzwemmers die ik ooit in mijn initiële enthousiasme heb meegekregen.
Waarom was ik er ooit aan begonnen? Komt het voort uit een ziel die alsmaar vooruit wil, steeds actief op zoek naar nieuwe ervaringen, diepere inzichten en grootsere waarheden? Of is het juist een poging om dat streven, eventjes, voor de duur van de plons, te stoppen? Met goede wil noem ik het zelfactualisatie, met een slechte wil is het zelfkastijding. Van een afstandje bekeken zijn beiden waar.

Ik kom aan bij de rotonde van het Kleinpolderplein. Hoewel ik het niet heb, krijg ik hier doorgaans wel voorrang van de afslaande automobilisten. Vandaag echter niet. Ik rem abrupt en kom net op tijd tot stilstand voor de haaientanden. Een reeks auto’s kruist nu snel rijdend voor mij langs en ik kan niets anders dan wachten. Ik voel ergernis. Voortwoekerend van de eerste automobilist naar autorijders en auto’s in het algemeen. Fijnstof, geluidsoverlast, het ruimtegebruik. De negatieve effecten van die steeds groter wordende stalen omhulsels op de compassie van de bestuurders et cetera.
Dan slaat de ergernis terug op mijzelf. Waarom laat ik me kidnappen door deze primaire reactie? Als ik me al laat beetnemen door iets futiels als road rage, ben ik dan in al die jaren meditatie ook maar iets opgeschoten richting verlichting? Niet alleen op fiets sta ik stil, op het spirituele pad lijk ik helemaal afgestapt. Niks kom ik verder. Alleen mijn brein draait door.

Tijdens de retraite van afgelopen zomer geeft één van de twee leraren een dharma-talk over papañca, het Pali-woord dat zoveel betekent als voortwoekerende fabricatie, mentale proliferatie. De neiging van de geest om één perceptie eindeloos uit te strijken tot een plakkerige sliert van gedachten en emoties, soms tot het obsessieve toe en steevast leidend tot leed. Het meeste leed komt voort uit lijden dat niet komen gaat, is hiervan een Stoïcijnse variant, aan Seneca toegeschreven. Het klonk me toen al alleszins herkenbaar in de oren.

Later die dag, na afloop van een lange zit, loopt een wat onwelriekende retraitegenoot voor mij de meditatiezaal uit. Nog voordat we de edele stilte aannamen, had ik kort met hem kennisgemaakt. Hij stotterde, kwam me sympathiek over en droeg een jurk.
Op het moment dat hij voor mij het herentoilet in schiet, klinkt in mijn hoofd: “Flapdrol, ga naar de vrouwenplee!”
Waar kwam dat nu opeens vandaan? Uit het niets. Er ging geen redenering aan vooraf. Het was er zomaar. Wachtend in het halletje voor het toilet sluit de flapdrolverwensing zich aan bij de lange rij ad hoc oordelen die mijn brein bij voortduring produceert. Een litanie aan zelfverwijt komt op gang. Papañca rolt als een lawine door mij heen culminerend in de deprimerende maar onvermijdelijke conclusie dat ik een slecht mens ben. Een imposter met een verrotte ziel, slechts lichtjes verborgen onder een dunne sluier van vriendelijkheid.

Bezwaard en met enige moeite biecht ik het voorval op aan één van de leraren, een emeritus hoogleraar in de wiskunde. Deze lacht minzaam en vertelt me dat ik het niet zelf was die deze mentale verwensing uitsprak. Daar was hij weer, het niet-zelf. Daar was ook weer de resterende vraag: wat ben ik dan nog?

We betreden het gebied waar taal, woorden en concepten, te kort schieten. De leraar, die al converserend in mij een programmeur herkent, probeert het met een computermetafoor. Ik moest mijn geest zien als een informatieverwerker, een veellussig feedback en -forward systeem. De input bestaat uit al mijn percepties, inclusief de perceptie van mijn eigen gedachten. De hardware en software, het verwerkende gedeelte, bestaat uit mijn brein en alle conditionering daarvan, een optelsom van genen, voeding, opvoeding, ervaringen et cetera. De output bestaat uit gedachten, intenties en uiteindelijke handelingen zoals bewegingen en spraak. Het onbegrijpelijk wonderlijke van deze computer is dat het zichzelf via het bewustzijn van binnenuit kan bezien maar in wezen leeg is, in de Boeddhistische zin van het woord, essentieloos, net zoals alles in de natuur: rotsen, gebouwen, bomen, dieren en andere mensen.

Verwonderd, verward, maar ook opgelucht wandel ik even later door die natuur, door het bos met de dikke beuken waarin het retraitecentrum gelegen is. Het mijn is een fabricatie van de geest die ik niet onder controle heb, mijn gedachten zijn dus niet mijn natuur, maar natuur. Dat is waarnaar ik kijk tijdens meditatie, maar ook tijdens een zelfverwijtende papañca.

Het idee van meditatie als kijken naar je eigen natuur én als veréénzelviging met die grotere natuur, het heelal, resoneert met een uitspraak van Robert Dijkgraaf, die ooit stelde dat de kosmos zichzelf beschouwt via ons, de mens. Ik, dat hoopje veredeld sterrenstof, kijk naar de beuken, het mos dat op hun stammen groeit, en observeer mezelf die dat weer ziet. Heel eventjes is alles één.

Zijn we dan ook echt één? Eén met elkaar, één met de natuur? Ben ik dan de hele natuur? Dat klinkt pretentieus. Of ben ik leeg, niets? Dat zal toch niet? In een later gesprek hierover op de retraite, met de andere leraar, verwijst zij mij naar de term interdependent co-arising, wederzijds afhankelijk ontstaan in het Nederlands. Het is een principe dat stelt dat er niets is dat volledig op zichzelf bestaat. Dingen ontstaan afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, en verdwijnen zo ook weer. De werkelijkheid als een grote stroom van vergankelijke en wederzijdse afhankelijke processen, die elkaar verzoorzaken en weer doen verdwijnen. Ik besta dus wel, maar niet als separate en onafhankelijke entiteit. Pittige materie om je hoofd omheen te wikkelen. In diepe meditatieve toestanden schijnt deze waarheid zich doorvoeld, belichaamd zogezegd, aan je te presenteren. Ze tipt mij het boek Seeing that Frees van Rob Burbea, dat gaat over dit onderwerp en het pad dat naar dit inzicht leidt.

De rotonde voorbij, fietst die vergankelijke stroom processen, oftewel ik, het stadsdeel Overschie binnen. Het pad maakt een bocht en ik kom aan bij het punt waar vorig jaar een kauwtje tussen mijn spaken vloog en fladderend achter me neerstortte. Hij was onderdeel van een grote zwerm. Boven-, voor- en achterlangs vlogen ze mij voorbij maar hij dus niet, hij wilde door mijn fiets heen. Ik gaf hem de schuld. “Hoe kun je nu zo dom zijn?”, sprak ik hem toe nadat ik teruggereden en afgestapt was. Blijkbaar dichtte ik het dier een vrijheid toe om zijn eigen gedrag te bepalen.

De Zweedse filosoof Martin Hägglund maakt aan het begin van zijn veelomvattende boek This Life een onderscheid tussen wat hij natuurlijke vrijheid noemt en spirituele vrijheid. De keuze van een vogel om zijn zwerm te volgen en bepaalde objecten te ontwijken (anders dan een draaiend fietswiel) valt onder zijn begrip van natuurlijke vrijheid. Spirituele vrijheid, de vrijheid om het door de natuur ingeprente gedrag te veranderen, heeft een dier niet. Ze kunnen het niet helpen.

In hoeverre kan ik het eigenlijk helpen? Ik voelde me rot, des te meer omdat het me aan lef had ontbroken het ten dode opgeschreven diertje uit zijn lijden te verlossen. In tegenstelling tot de vogel, hebben wij mensen wel de spirituele vrijheid om de vraag te stellen wat we kunnen doen of wat we zouden hebben kunnen doen en daarmee wat voor een persoon we willen zijn. Met wat meer daadkracht had ik wellicht mijn eigen instincten kunnen overstijgen en het stervende vogeltje kunnen afmaken. Maar fundamenteler nog is de vraag of ik mijzelf ooit zo kan transformeren dat er geen lijden en ergernis meer ontstaat. Dat ik niet langer scheld op de boomwortels onder een fietspad, dat ik onbewogen blijf bij automobilisten die geen voorrang geven of op zijn minst mededogen opbreng in plaats van verwijten voor een vogeltje dat ik half dood achterlaat na een botsing met mijn fiets. Hoe zou de Boeddha deze fietstocht beleefd hebben? Kun je het Nirwana echt bereiken en wil je daar wel heen?

In het vervolg van This Life beargumenteert Hägglund dat het juist de fragiliteit en eindigheid van ons leven zijn die het bestaan zin geven. Hij introduceert het begrip seculier geloof, geloof in aardse strevens en projecten, die precies door hun inherente risico op falen en het daarmee gepaard gaande lijden, het gegeven dat er iets op het spel staat, de moeite waard worden. Dat contrasteert hij met religieus geloof waarin de hoogste vorm van bestaan het eeuwige is in plaats van het eindige en zich daarmee van dit leven afkeert. Naast andere religies, fileert Hägglund ook het boeddhisme bepaald ongenadig. Het streven naar complete verlichting en bevrijding van lijden betekent in zijn ogen niets minder dan een onthechting van alles dat eindig en aards is, en vormt daarmee een afwenteling van de wereld en alles wat hier waarde heeft.

Het boek This Life las ik op zoek naar meer duiding van Knausgårds boeken en mijn fascinatie ervoor. Als vergelijkend literatuurcriticus plaatst Hägglund Mijn Strijd in een context van confessionele literatuur zoals de Confessiones van Augustinus en À la recherche du temps perdu van Proust. In tegenstelling tot Proust echter, beschrijft Knausgård zijn leven niet achteraf, maar in het moment dat het zich voltrekt en schrijft zichzelf zo naar de werkelijkheid toe. Hägglund noemt ‘het vastzetten van de blik’, een zin die herhaaldelijk voorkomt in de cyclus, als leitmotif. Knausgård leert de blik te richten op zijn eigen bestaan met alles wat daarbij hoort, de mooie dingen maar ook de pijn, het ongemak, de fragiliteit en de eindigheid. Juist daarmee committeert hij zich weer aan zijn eigen leven. Een langzame bekering tot seculier geloof, dat is hoe Hägglund het ziet.

Knausgård nogmaals herlezend realiseer ik me ook hoe mindful hij eigenlijk is, hoe ontzettend sensitief voor alles wat er in zijn binnenwereld gebeurt. In tegenstelling tot een Boeddhist echter, is hij niet nuchter mindful. Zijn doel is niet om gedachten en gevoelens te neutraliseren, ze te zien voor wat ze zijn en zo een gelijkmoedigheid te bereiken. Integendeel, hij laat zich er voortdurend door meeslepen en gaat er volledig in op. Papañca is zijn literaire vriend. Zo schiet hij vol van schaamte bij een bepaalde blik die een vriend hem toewerpt, rilt hij bij het onbehagen dat een zwerm lieveheersbeestjes bij hem oproept en staat hij bladzijden lang stil bij het gevoel dat een bepaalde lichtval in het raam van zijn appartement in Malmö bij hem opwekt en de herinneringen die dat weer oproept. Overal zoekt en vindt hij betekenis. Dat beschouwend schrijft hij in deel zes: “Zin wordt mogelijk door de verinnerlijking van de wereld. Betekenis ontstaat in de blik, alle zin in het hart. De wereld zin geven is de mens eigen, wij zijn het zingevende schepsel en het is niet alleen onze verantwoordelijkheid, het is ook onze plicht.”

Verder rijdend door Overschie kom ik voorbij de nachtwinkel en realiseer ik me hoe ik deze wijk inmiddels verinnerlijkt heb. Vroeger fietste ik hier wel eens recreatief, op een warme zomeravond onderweg naar vrienden in Delft. Gedachteloos had ik de wijk geclassificeerd als een rommelig uiteinde, een niemandsland waar de stad hortend en stotend overgaat in het haar omringende groene landschap. Als ik ‘s nachts beneveld terug fietste en opnieuw Overschie doorkruiste, was ik alleen alert geweest op deze winkel, waar ik dan een snack kocht en nog een laatste biertje.
Nu fiets ik hier met aandacht. De kerk, het theater, de Schie en de Dorpsstraat die ik indraai, allemaal zijn ze geladen met essentie, omgeven met affectie, verbonden met mij bekende mensen en verhalen en gevuld met betekenis. Even later zie ik de apotheose van dat alles, opgetrokken uit rode bakstenen, de school, mijn eindbestemming.

Een uurtje later ben ik aan het werk. Ik lees voor uit Meester Max en de Reuzenkleuters van Rindert Kromhout. In het verhaal leest meester Max zijn kleuterklas voor over de heen- en weerwolf uit Pluk van de Petteflet. Twee kleuters uit zijn klas vinden zichzelf te groot en te stoer voor dit verhaal en doen ostentatief hun handen voor de oren. Eén van de twee fluistert “Stom verhaal” maar hij krijgt geen respons. De ander blijkt toch verlokt door Annie M.G. Schmidt.
Schielijk kijk ik de kring rond over het randje van mijn leesbril. Bedekt hier iemand zijn oren? Tot zover gaat het goed. Twintig kleuters zitten ademloos te luisteren. Snel lees ik door.


Deel deze post op:

Volgende Post
Metta voor de groep