
Toen ik op een morgen mijn bed uitkwam en het gordijn opende, zat zij daar, aan de buitenkant van
het raam, midden in een strak geweven web. Heerser van haar eigen platte universum. Spin.
Waar kwam
zij zo ineens vandaan? Ik bekeek haar een tijdje. Het was een fors beest. Haar lichaam was zeker
anderhalve centimeter lang en haar voorpoten makkelijk twee. Ze had witte vlekjes op haar rug.
Wanneer ik in de dagen die volgden op mijn slaapkamer moest zijn, keek ik uit het raam en zag spin
daar in het midden van haar web. ‘s Ochtends was het web op z’n mooist, met strakke glimmende
draden. In
de loop van de dag takelde het af. Het ging slapper hangen, er kwamen gaten in, de draden werder
dof.
Toen ik een keer vroeg op was, zag ik het haar weven. De draad die uit haar achterlichaam kwam,
bevestigde ze steeds op vaste tussenafstanden aan de eerder getrokken radialen. Schokkerig
manouvrerend trok ze de draad in een langzame spiraal naar het midden, waar ze zelf plaatsnam met
haar poten als receptoren, klaar om de kleinste trillingen waar te nemen.
Zo vlak voor het raam leek me niet de beste plek voor een web. Het lag niet in de doorgaande
vliegroutes van insecten en de luchtstroom die insectjes mee zou kunnen voeren, wordt afgebogen
voordat hij bij het raam terecht komt. Ik besloot spin te helpen en haar een van de muggen te voeren
die na een verloren nachtelijke strijd in geëlectrocuteerd toestand aan het mosquito racket was
blijven hangen. Met een pincet pakte ik de mug bij zijn dunne poten en trok hem van het racket los.
Ik zette het raam op een kier en plaatste hem in het web naast spin. Ik deed het niet handig. De
pincet plakte aan het web en bij het terugtrekken liet ik naast de mug ook een fors gat achter. Door
alle beroering rende spin het web uit en schuilde tegen het raamkozijn. Met één poot op een
spaakdraad hield ze contact met haar thuisfront.
Twee minuutjes later achtte ze de kust veilig en positioneerde ze zich terug in het midden. Daar
duurde het niet lang of ze kreeg de mug in de gaten. Ze rende erheen. Met vier poten tegelijk
wentelde ze het muggenlijkje dat aan twee punten in het web vastzat in de rondte en omhulde
het in
de deken van spinrag dat voor deze gelegenheid als een breed vangnet uit haar achterlichaam kwam. De
lange poten en vleugels van de mug raakten ingeklapt en opgepropt. Na een klein minuutje wentelen
bleef er een compact pakketje over dat werd meegetorst naar het midden van het web, waar het
langzaam, in de loop van enkele uren, werd opgepeuzeld.
De dag erna stond er een forse, nog levende pissebed op het menu, door mij gevonden onder een steen
op het dakterras. Ook deze werd razendsnel ingekapseld en opgegeten. Daarna moest spin uitbuiken en
trok ze zich een dag of twee terug aan de rand van het raamkozijn waar ze in schijndode toestand
zat te digesteren. Haar web liet ze verloederen.
Toen ik in een vervolgexperiment drie pissebedden kort achter elkaar in het web plaatste, gebeurde
er iets opvallends. De eerste pissebed werd even agressief ingekapseld als de vorige maar de tweede
en derde niet meer. Die knipte ze los en liet ze uit haar web vallen. Hetzelfde lot onderging de
grote dode bromvlieg die ik in de vensterbank vond en daarna in het web plaatste.
In de loop van de tijd dat ik spin observeerde kreeg ik een goed beeld van haar doen en laten. Bij
grote beroering van haar web rende ze eruit om na twee minuutjes behoedzaam terug te keren. Bij
kleinere trillingen rende ze erop af. Elke morgen ververste ze haar web, behalve bij regen en wind,
dan betrok ze voor zolang het duurde haar vaste plekje aan de rand van het raamkozijn.
Het gedrag van spin kwam me hoogst voorspelbaar voor. Het leek in alle opzichten voorgeprogrammeerd.
Net als spins lichaam, een uiterst efficiënt machientje, het resultaat is van honderden miljoenen
jaren evolutie, is ook spins gedrag door natuurlijke selectie uitgekerft uit een veelheid van
mogelijke gedragingen. Wellicht waren er ooit spinnen die bij regen wel in hun web bleven zitten en
wegspoelden en daarop geen nazaten meer kregen. En wellicht waren er ooit spinnen, verre
achternichtjes van spin, die de grote bromvliegen die ze niet meer op konden wél in hun web lieten
hangen, maar was er iets nadeligs aan dat gedrag. Misschien waaide hun web eerder kapot of trokken
ze teveel aandacht van vogels waardoor de achternichtjes eerder opgegeten werden dan de voorouders
van spin die deze bromvliegen er uit gooiden en zo hun overlevingskansen vergrootten.
Spin lijkt een robotje dat volgens een vast programma werkt, niet eens zo’n heel complex programma.
Natuurlijk, het weven van zo’n web en het razendsnel inkapselen van zijn prooi zijn ingewikkelde
subroutines die een fijne motoriek en feilloze afstemming vereisen tussen ogen, poten en
spintepels, maar op een hoger niveau lijkt haar gedrag door een beperkt aantal programmaregels
bepaald: Wanneer nattigheid, dan schuilen tot het droog is. Wanneer grote trilling in web, dan
schuilen en twee minuten wachten. Wanneer kleine trilling in web, eropaf! Wanneer het aantal prooien
in web groter dan één, dan overtollige eruit gooien. Wanneer buik vol, dan schuilen totdat buik
leeg is. Enzovoort.
Hoe zou spin’s wereldbeeld er uitzien? Het bestaat uit haar eigen web en de directe omgeving
waarbinnen ze dit aanlegt. Andere, zich los daarvan bewegende objecten, worden afhankelijk van de
afmeting als prooi of als gevaar bestempeld. Insecten van haar eigen omvang en iets groter of
kleiner ziet ze louter als potentiele prooi, inclusief leden van haar eigen soort. Mannetjesspinnen
lopen bij het afleveren van hun zaad grote kans om opgegeten te worden.
Het lijkt er niet op dat spin notie heeft van de mens, als soort waarmee zij haar leefomgeving
deelt.
Spinnen liepen al miljoenen jaren rond voordat de eerste Homo opstond. En wat zou het spinnenbrein
moeten met een specifiek concept als mens? Kan ze zich tegen ons anders verdedigen dan tegen een
chimpansee? Of tegen een kat of een vogel? We vallen voor haar in de categorie ‘grotere dieren’
waarvoor ze maar één strategie in huis heeft, flight or bite. (Wanneer een spin echt klem komt te
zitten, bijt ze, zo lees ik op Wikipedia. De pijn komt overeen met die van een wespensteek. Een
experiment dat ik aan mij voorbij laat gaan.)
Andersom zijn onze breinen wel degelijk bekend met het concept spin. Diverse psychologische
experimenten hebben aangetoond dat onze hersenen een aangeboren vermogen hebben om spins
lichaamsvorm te herkennen, iets wat onbewust plaatsvindt. Nog voor we goed en wel doorhebben dat een
spin ons blikveld binnentreedt, komt de schrikreflex al op gang. Een aangeboren angst die onze
voorouders, ergens ver terug in onze stamboom, een grotere overlevingskans heeft bezorgd dan onze
ooms en tantes die spinnen onbevreesd tegemoet traden.
‘s Avonds in bed mijmer ik door over hoe een wezen als de mens zich tot spin verhoudt. Fysiek leven
we in dezelfde wereld maar onze percepties liggen een universum uit elkaar. Spins horizon strekt
zich niet verder uit dan haar web en de naaste omgeving daarvan. Haar begrip reikt niet verder dan
zaken die voor haar overleving essentieel zijn. Wij mensen torenen ver boven haar uit. Zo ver dat we
nagenoeg onzichtbaar zijn voor haar. We kunnen haar leven op allerlei manieren beïnvloeden,
ingenieuze experimenten met haar uitvoeren, haar web in één haal kapotmaken, haar leven met één klap
beëindigen, zonder dat ze zich ooit bewust zal worden van ons als mens of van onze wereld.
Ze weeft haar web in een raamkozijn, onwetend dat dit een voorwerp is dat door mensen gemaakt is,
het resultaat van eeuwenlange technologische ontwikkeling. Ze loopt over de buitenmuren van mijn
huis, één van de vele huizen in een lange straat, één van vele straten in de stad. Niets weet ze
ervan. Niets weet ze van onze bouwsels, ons technisch kunnen, onze duizelingwekkend complexe
beschaving.
Wij zijn behept met een veel grotere intelligentie, een zelfbewustzijn en op zijn minst een illusie
van vrije wil en daarmee een groot scala aan handelingsmogelijkheden. Maar wordt ons gedrag
uiteindelijk niet ook door een eindig setje regels bepaald? Het is complexer en minder instinctief
wellicht, maar is het oneindig veel complexer, wezenlijk verschillend van dat van spin?
Ik
probeer me een intelligentie voor te stellen die net zo ver boven ons uittorent als wij boven
spin. Een levensvorm die niet per se ver verwijderd of fysiek onzichtbaar is, maar zo anders, zo
onbereikbaar voor ons bevattingsvermogen dat we haar niet zien. De hogere intelligentie zelf
ziet ons wel en speelt wellicht wat met ons maar is niet geïnteresseerd in contact of misschien
niet bij machte om op ons niveau te communiceren, net zo min als ik in staat ben werkelijk met
spin in contact te treden.
Is dat een vorm waarnaar wij uiteindelijk evolueren wanneer onze breinen ons lichaam verlaten en
voortleven in digitale netwerken of in andere substraten waar wij het bestaan nog niet van kennen?
Zijn er andere wezens die miljoenen jaren eerder of lichtjaren ver verwijderd dit niveau al bereikt
hebben? Ligt daar de verklaring voor de Fermiparadox, het schrille contrast tussen de grote
statistische waarschijnlijkheid van buitenaards leven en het tot nu toe totale ontbreken van elk
bewijs daarvoor? Dat buitenaards leven wel degelijk bestaat, alomtegenwoordig is wellicht, met ons
dezelfde ruimte deelt, maar wij niet in staat zijn het waar te nemen?
Voordat ik in slaap val, probeer ik me het onvoorstelbare voor te stellen. Ik in mijn bed, spin in haar web en de goden om ons heen in hun eigen universum. ‘s Nachts ren ik in een droom tegen een helling op, schuin naar de top. Aan de andere kant zit spin, zo weet ik. Naarmate ik dichter bij de top kom wordt de helling steed steiler. Telkens als ik er bijna ben, val ik weer terug zoals een skateboarder in een halfpipe. De volgende morgen word ik wakker en open de gordijnen. Spin is verdwenen.